Aan actualisering en verbetering van de inhoud wordt nog gewerkt

Organisatie van het onderwijs

Tot de groep die in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000 bedoeld wordt, behoren:

  • de personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten.

Tot de groep die in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 bedoeld wordt, behoren:

  • Personen met de nationaliteit van één van de EU-lidstaten (België,Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg,Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd koninkrijk, Zweden);
  • Personen met de nationaliteit van één van de EER-landen, voorzover die geen EU-lidstaat zijn: Liechtenstein, Noorwegen en IJsland;
  • Onder voorwaarden personen met een Turkse nationaliteit op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (kinderen van (voormalig)werknemers die in een lidstaat wonen waar zij werken of gewerkt hebben);
  • Personen met een Zwitserse nationaliteit (sinds 1 juni 2002 op grond van het verdrag van 21 juni 1999, dat is goedgekeurd door de wet van 14 september 2001, Stb. 432);
  • Familieleden (echtgenoot; partner met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van dat land een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover wetgeving van het gastland partnerschap gelijk stelt met het huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland wordt voldaan; rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten hunnen laste komt; de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn, alsmede die van de echtegenoot en partner die ten hunne laste komen) van in Nederland wonende EU-burgers, die een niet EER-nationaliteit bezitten. (op grond van Richtlijn 2004/38/EG).

Tot de groep die in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet studiefinanciering 2000 bedoeld wordt behoren:

  • De vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vreemdelingenwet);
  • De vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vreemdelingenwet);
  • De vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vreemdelingenwet 2000) (hieronder vallen o.a. langdurig ingezeten derdelanders (op grond van Richtlijn 2003/109/EG));
  • De vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. (artikel 14 Vreemdelingenwet 2000) Er moet bij een dergelijke vergunning wel sprake van zijn dat de vergunning verleend is verband houdende met:
    1°. gezinshereniging of gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000 met een Nederlander of met een vreemdeling als bedoeld in de onderdelen a of b van dit artikel of hiermeeverband houdend voortgezet verblijf, 2°. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
    3°. verblijf ter adoptie of als pleegkind of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
    4°. verband houdende met de vervolging van mensenhandel of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
    5°. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,
    6°. anders dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000, als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdend voortgezet verblijf, of
    7°. verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdend voortgezet verblijf;
  • De vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op aanvraag tot verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, voor zover zij reeds studiefinanciering genieten. (artikel 3, onderdeel e, Besluit studiefinanciering 2000);
  • De vreemdelingen die al eerder tegemoetkoming (ingevolge de WTOS) hebben ontvangen (artikel 3, onderdeel f, Besluit studiefinanciering 2000).

Uit het voorgestelde artikel 7.43 (WHW), eerste lid, onderdeel b, blijkt dat een persoon die de leeftijd van 30 jaren nog niet heeft bereikt en die de Surinaamse nationaliteit bezit bij inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool het wettelijk collegegeld verschuldigd is. Als laatste groep kan aldus genoemd worden:

  • De personen die de Surinaamse nationaliteit bezitten.
    Voor de volledigheid zij opgemerkt dat studenten met de Surinaamse nationaliteit geen aanspraak hebben op studiefinanciering, tenzij zij behoren tot de groep bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet studiefinanciering 2000 (zie hierboven).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 346, nr. 3

info