door Harriët Rempe

Hoe draag ik als studentendecaan bij aan een betere (hogeschool)organisatie en ook aan een betere maatschappij? Met deze vraag houd ik mij de laatste tijd steeds meer bezig. Ik hecht aan een bredere oriëntatie dan alleen het korte termijn belang van de hulpvragende student. Dat is een onlosmakelijk onderdeel van (mijn) professionaliteit. Zonder deze oriëntatie, loop je het risico de plank volledig mis te slaan en op korte termijn de individuele student weliswaar te helpen, maar op langere termijn bij te dragen aan het blijven voortbestaan, of zelfs verergeren van de oorzaak van die problemen. En dat kan volgens mij toch niet de bedoeling zijn. Oorzaak of gevolg?
Stel, je krijgt uit één opleiding een bovenmatig aantal studenten met faalangstklachten voor je neus. Die kun je natuurlijk naar een faalangstreductie- of mindfullnesstraining verwijzen. Maar helpt dat?

Je kunt óók op zoek gaan naar de oorzaak. Is er een te snelle opbouw in het curriculum? Zijn de didactische kwaliteiten van docenten wellicht voor verbetering vatbaar? Als studenten uit een bepaalde opleiding die ziek worden meteen een heel jaar studievertraging oplopen, kun je ze vervolgens allemaal ondersteunen bij een aanvraag voor de duo-voorziening. Maar zou je er niet beter aan doen om als decaan samen met de opleiding te kijken of er mogelijkheden zijn om hun curriculum wat meer te flexibiliseren? Elk collegejaar ondersteunen wij honderden studenten bij hun verzoek aan de examencommissie om gebruik te mogen maken van toetsen die dyslexie en kleurenblindproof zijn,

maar waarom zou je niet kijken of deze gewenste voorzieningen gewoon opgenomen kunnen worden in de vormgevingsvoorschriften van de toetsen? Inclusieve samenleving
Zo zijn er op het niveau van de organisatie gemakkelijk aansprekende voorbeelden te bedenken van het voorkómen van hulpvragen in de toekomst. Maar hoe zit dat een niveau hoger, op het niveau van de maatschappij? Ik draag graag bij aan een inclusieve samenleving. Als studentendecaan richt ik mij dan speciaal op studenten die (tijdelijk of permanent) te maken hebben met tegenwind in hun leven zoals bijvoorbeeld een chronische ziekte, een functiebeperking, langer durende ziekte, psychische klachten, (mantel)zorgtaken, zorgen om familieleden etc. Zaken die een negatieve invloed hebben op het studeerpotentieel. Een negatieve invloed die te verkleinen is. De ene keer help ik de student om over functionele hobbels in de studie heen te komen. Daarbij fungeer ik o.a. als een makelaar in voorzieningen zodat vermijdbare studievertraging voorkomen wordt en het potentieel van deze studenten weer beschikbaar komt. Een andere keer onderneem ik actie om niet functionele hobbels te laten verkleinen of verdwijnen. Maar de laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat ik niet meer (genoeg) bijdraag aan die verbeteringen. Sterker nog, ik begin mij medeplichtig te voelen aan het voortbestaan of verergeren van de oorzaken van problemen waar studenten tegen aanlopen. En dat leidt tot een groeiend gevoel van onbehagen. Toename van tweedeling
Zo’n 15 jaar geleden werd door het onderzoeksbureau Verwey-Jonker al vast gesteld dat tenminste 11-14% van de studenten in het Hoger Onderwijs kampt met één of meer beperkingen. Dat percentage zal sindsdien alleen maar toegenomen zijn. Als studentendecaan draag ik meer en meer bij aan deze toename van diagnoses. Immers: alleen studenten met een diagnose komen voor voorzieningen in aanmerking. Terwijl je je toch ook kunt afvragen of het onderwijsaanbod wel goed genoeg is, als 20% van de studentenpopulatie het zonder voorzieningen niet meer redt. Ook werk ik, in plaats van bij te dragen aan inclusiviteit, steeds vaker mee aan de toename van de tweedeling in de maatschappij. Tegenwoordig scheid ik bijvoorbeeld studenten met planningsproblemen, die ik niet meer zelf adequaat mag helpen, in twee groepen. De kapitaalkrachtigen kan ik verwijzen naar het steeds ruimer worden aanbod buiten de hogeschool. Niet kapitaalkrachtigen kan ik verwijzen naar hulp in de eerste lijn (die er feitelijk niet is) en hen wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid als regisseur van hun eigen leerproces. Tot ze zo veel vertraging hebben opgelopen dat behaalde studieresultaten vervallen, het een hopeloze zaak wordt om ooit nog af te studeren en ze met een enorme schuld ongediplomeerd afhaken. Mentale bandbreedte
‘Regisseur van het eigen leerproces’ is dé onderwijsvertaling van de zelfredzame burger. Kun je dat niet zijn, dan hoor je niet thuis in het hoger onderwijs, is de visie. Maar niemand is altijd een zelfredzame burger/student en zeker niet de doelgroep van het studentendecanaat. In een artikel van Casper Thomas op https://www.groene.nl/artikel/heeft-u-daar-wel-recht-op wordt gesproken over de ‘mentale bandbreedte’. Gedragswetenschappers Sendhil Mullainathan en Eldar Shafir hebben het hier over ons vermogen om na te denken, onze aandacht erbij te houden en op de juiste momenten de juiste keuze te maken. Deze bandbreedte wordt kleiner naarmate onze geest meer in beslag wordt genomen door andere zaken. Stress, vermoeidheid en geldproblemen zijn allemaal factoren die onze mentale bandbreedte verkleinen, en daarmee de kans op vergissingen vergroten. Zij stellen dat het huidige tijdperk van verantwoordelijkheid is gebaseerd op de aanname dat iedereen op ieder moment evenveel eigen verantwoordelijkheid kan opbrengen. Maar tegelijkertijd laat een groeiende lijst van gedragswetenschappelijk onderzoek zien dat wie onder normale omstandigheden zou slagen voor een , door persoonlijke omstandigheden soms tijdelijk tekortschiet. Ik vind dat deze bredere oriëntatie in ons werk (Hebben en houden we helder voor ogen waar ons werk uiteindelijk toe moet leiden? En doen we dan het goede?) binnen ons werk en onze beroepsvereniging te weinig aandacht krijgt. Ik roep daarom het LOShbo op om dit in collegejaar 2018/2019 in themabijeenkomsten en onze scholing op te gaan pakken.

 

29 juni2018,
Harriët Rempe